Vervolgd van...
Na het ongenuttigde justitievoer wordt mijn deur weer geopend en verschijnt er een lange, bebaarde agent in mijn cel.
“Je vrouw heeft eten voor je gebracht. Ze vroeg of ik je de groeten wilde doen, en je veel sterkte toe wil wensen. Het laatste mag ik niet, dus dat doe ik dan ook niet.”
“Te gek, wel bedankt agent. Wilt u haar de groeten terug doen en haar veel liefs toewensen? Ik bedoel: van mij natuurlijk, niet van u!”
“Zeker wel.”
Later zal blijken dat hij het inderdaad heeft gedaan, en daar was ik hem echt wel dankbaar voor. Mijn vrouw heeft lekkere broodjes en een paar pakken vruchtensap voor me gebracht. Ik laat me alles goed smaken. Voor een ondode heb ik eigenlijk best nog wel honger.
Ik heb mijn maal nog niet op of de deur gaat nogmaals open; de twee rechercheurs staan weer voor mijn cel. Gelukkig dat ik net klaar ben, want anders hadden die twee hongernekken nog mee willen eten ook. De rechercheurs gooien mijn kleren naar binnen, en ik kleed mij aan. Nou, het spel gaat beginnen:
“Komt u maar weer mee.”
Met mijn beproefde zwaaiende gang hobbel ik achter het swingende duo naar hun kantoor, waar ik door de vaderlijke rechercheur word verzocht om plaats te nemen. Als ik het tweetal nog eens opneem, wordt het me duidelijk dat ik hier met twee criminologische opsporingsambtenaren van wereldklasse te maken ga krijgen.
Na de lieve rechercheur goed bekeken te hebben, begrijp ik dat deze man zich op het hoogtepunt van zijn carrière moet bevinden. Hoger zal hij niet meer kunnen komen. Na jarenlang koddebeier te zijn geweest in Lullepijperswoude, waar hij na veel moeizaam speurwerk de plaatselijke kippendief wist te arresteren - om deze vervolgens met gevaar voor eigen leven achterop zijn dienstfiets af te voeren - werd deze meesterspeurder via een bliksempromotie tot inspecteur in deze rurale metropool bevorderd. Ja, van inspecteur Visser zullen we in de toekomst ongetwijfeld nog gaan horen.
De stoute inspecteur Van Schoorl is daarentegen een heel ander verhaal. Al vormt hij dan het brein van dit koningsduo, op criminologisch gebied is hij een miskend genie, en derhalve gedoemd om frequent op de achtergrond te opereren. Intussen geeft hij blijk over een grote dosis scherpzinnigheid te beschikken. Eén en ander zal weldra blijken uit zijn briljante manier van verhoren.
Hij zal me zelfs helpen om me feiten te herinneren die de getuige niet eens geweten kan hebben, maar daarover later meer. De miskenning van zijn niet geringe kwaliteiten heeft in elk geval duidelijke sporen nagelaten op het toch al doorgroefde gezicht van deze speurhond. De scherpe kloven rond zijn mond duiden erop dat de man een maagpatiënt is. Hij heeft dan ook vrij veel moeite met de digestie van mijn antwoorden. Van Schoorl is duidelijk het slachtoffer van zijn métier geworden.
Het verhoor neemt een aanvang.
“U bent Jan ter Haak, geboren … … 19.., te Amsterdam?” aldus inspecteur Visser.
“Dat is volkomen juist.”
“Wat is uw beroep?”
“Ik ben intermediair.”
“Wat is een ‘intermeedjer’?”
“Dat ben ik, bijvoorbeeld.”
“Ja dat zei je net al, maar wat is dat voor een beroep?”
“Dat is het beroep van iemand die er zijn beroep van heeft gemaakt om te bemiddelen tussen een vragende en aanbiedende partij.”
“Je bent dus bemiddelaar van beroep.”
“Nee meneer, ik ben intermediair van beroep.”
Nu komt Van Schoorl met een vraag: “Wat doet je vrouw?”
Ai, is dat even opletten geblazen met die Van Schoorl. Ik zei toch al dat hij geen dooie was! Hij stond al in de startblokken te branden van ongeduld; hij moest deze geniale meesterzet even plaatsen. Danig aangeslagen door het vertoon van zoveel vernuft antwoord ik: “Ik zou het u niet kunnen zeggen, meneer. Ik ben namelijk al twee dagen niet thuis geweest, begrijpt u wel?”
“Dat weet ik, maar wat doet zij voor haar beroep?”
“Kunt u dat niet beter aan haar vragen?”
“Ik vraag het aan jou.”
“Wel, ik praat niet graag over andere mensen, want dat vind ik ongepast. Ik geef u dus geen antwoord op uw vraag. Dat hoeft namelijk ook niet, weet u nog wel? Misschien is zij ook wel een intermediair, weet ik veel.”
Visser: “Goed, wij hebben nu uw personalia en u bent ‘intermeedjer’ van beroep. Vertelt u eens wat er gebeurd is.”
“Wanneer?”
“Op vrijdag de negenentwintigste.”
“Toen ben ik gearresteerd.”
“Voordat u gearresteerd werd”.
“Toen was ik vrij, meneer.”
De isobaren in het gezicht van Van Schoorl duiden op komend onweer, en hij besluit dan ook dat het tijd wordt om weer een duit in het zakje te doen: “Haak, wij kunnen er net zo goed mee afnokken als jij zo blijft antwoorden. Je blijft dan net zo lang vastzitten tot wij een verklaring van je hebben.”
“Van mij mag u ermee ophouden, maar wat dat vastzitten betreft, daar heeft de rechter-commissaris voorlopig het laatste woord over. U heeft precies honderdentwee uur, en daar is nu de helft van om.
Visser vraagt: “Heeft u vrijdagochtend ruzie gehad in Haarlem?”
“Ik heb een woordenwisseling gehad in Haarlem.”
“Vertelt u daar eens wat over.”
Het kan geen kwaad hem te vertellen wat er tijdens die ‘woordenwisseling’ is voorgevallen. Geloven zullen zij me toch niet, maar zo kan ik tenminste nog even een paar sigaretten roken.
“Hebt u niet gezegd dat u die kaasboer zijn kop in tweeën zou hakken?” vervolgt Visser.
“Dat is juist, dat heb ik inderdaad niet gezegd.”
“Hij verklaart anders dat u dat wel gezegd heeft.”
“En ik zeg u dat ik dat niet gezegd heb.”
“Goed, we laten dat dan even rusten. Toen u weer door kon rijden, wat hebt u toen gedaan?”
“Ik ben achter hem aan gereden tot de snelweg en toen ben ik hem gepasseerd.”
“Toen u hem passeerde…, wat deed u toen?”
“Ik deed niets, ik dacht.”
“Wat dacht u dan, mijnheer Ter Haak?”
“Krijg de tyfus maar, verrotte hork.”
“Wat zeg je, stuk secreet dat je bent?!” (Het werkt ook altijd weer)
“U vroeg mij net wat ik dacht. Daar gaf ik antwoord op. U dacht toch niet dat ik het tegen u had?”
Samen met een vuile blik van Visser krijg ik toegevoegd: “Er is op die man, of op zijn auto, geschoten.”
“Ziet u nou dat iedereen zijn straf krijgt in het leven?”
Van Schoorl stelt briljant vast: “Dat klopt wel, want aangezien die man verklaart dat jij op hem geschoten hebt, zul je gestraft worden. En niet zo’n klein beetje ook.”
“Ik merk dat u zich nu ineens weer de functie van president van de rechtbank heeft aangemeten. Het komt mij voor dat u niet echt tevreden met uw baan bent.”
Visser waagt een poging: “Heb jij dan niet op die man geschoten?”
“Dan zou ik u dat toch eerlijk vertellen?”
“Dus je ontkent dat je geschoten hebt?”
“Ik beken dat ik niet op mijnheer Misser, noch op zijn auto geschoten heb.”
“Er is anders wel een kogel in zijn wagen aangetroffen.”
“Ik vertelde u al dat er iets niet goed met die kaasdaas zat.”
“Het gaat ons erom wie die kogel in de auto geschoten heeft.”
“Dat kan ik me levendig voorstellen.”
“Jij hebt het dus niet gedaan?”
“Met welk gedeelte van het antwoord: ik heb het niet gedaan heeft u precies moeite?”
“We gaan nog even verder. Wat heeft u vervolgens gedaan, toen u de vrachtauto in kwestie gepasseerd was?”
“Toen ben ik doorgereden.”
“Waar naartoe?”
“Naar Amsterdam.”
“Hoe bent u gereden?”
“Met mijn eigen auto, en nogal hard bovendien, want ik was al te laat voor mijn afspraak.”
“Ik wil weten welke wegen u genomen heeft.”
“De snelweg naar Utrecht en vervolgens de afslag naar Amsterdam.”
“Waar bent u naartoe gereden in Amsterdam?”
“Naar de plaats waar ik een afspraak had met een kennis.”
“Waar was dat, en wie is die kennis?”
“Mag ik die vragen misschien één voor één beantwoorden?”
“Ga je gang.”
“Ten aanzien van de plaats van die afspraak, kan ik u zeggen dat het niet relevant is voor uw onderzoek. En de naam van mijn kennis vertel u ik niet.”
“Wat relevant is, bepalen wij hier wel, en die naam komen we toch wel te weten; dat is eenvoudig een kwestie van tijd.”
“Goed, dan mag ik zeker aannemen dat dit verhoor nu is afgelopen?”
Van Schoorl wordt nu venijnig: “Ook dat maken wij hier uit!”
“Dan zal het vanaf nu een monoloog worden, want ik heb u niets meer te zeggen.”
Nu komt Van Schoorl pas echt goed op gang: “Als er tegen mij een valse en belastende aanklacht ingediend zou worden, dan zou ik dat beslist niet pikken.”
Handig baasje wel, die Van Schoorl, nietwaar? Chaotische wereldgek! Een valse aangifte is altijd belastend.
“Dat kan ik me indenken, meneer. Het is ook wel laag dat iemand zoiets doet. Ik geloof inderdaad dat u dat niet zou pikken.”
“Ik zou het beslist niet nemen.”
“Ja, dat zei u net ook al. Zou u wel een kogel in die man zijn auto schieten?”
Visser zucht: “Wat mijn collega bedoelt, is dat hij middels een volledige verklaring van zich af zou bijten.”
Van Schoorl bevestigt tevreden: “Precies, ik zou het niet nemen.”
Word je niet gestoord van zo’n doordrammer?
Gaat verder...
|