Vervolgd van...
Een van de toiletreinigers is een sketjunk die ik van vroeger ken. Hij heeft mijn routine opgemerkt en ‘timet’ het nu zo dat hij vóór mij in de toiletruimte aanwezig is.
Ik krijg dan het laatste nieuws van hem, en hij van mij sigaretten. Nu zijn de bewaarders niet echt helemaal gek en dit is hun dan ook allang opgevallen.
Negen van de tien maken geen bezwaar, mits wij het maar niet te bont maken. Ik vraag Ron, de reiniger, of hij mij niet iedere dag een schone handdoek kan bezorgen. Dat vormt voor Ron geen probleem.
Hij heeft als reiniger toegang tot de toiletruimte van de bewaarders. Hij pakt dan een schone handdoek uit de kast en hangt mijn gebruikte handdoek weer op, voor de bewaarders. Kleine geneugten veraangenamen het leven aanmerkelijk in de gevangenis.
“Jan, er is gisteren een gabber van je binnengebracht,” deelt hij mij nu mede.
“O, en wie is dat dan?” vraag ik.
“Kees Stompier,” zegt hij, mij nieuwsgierig aankijkend. “Ik dacht dat je dat wel wilde weten.”
“Ja, dat is prettig om te horen, Ron. Wil je duizend gulden verdienen?”
“Ik dacht het wel hè? Vertel me maar wat ik moet doen. Maar net als jij, heeft Kees ook beperkingen.”
“Kun je ervoor zorgen dat je tegelijkertijd met hem in het washok bent, Ronnie?”
“Geen probleem, maar wat moet ik doen?”
“Zijn je kopstoten nog net zo hard als vroeger?”
“Harder, Jan, en voor duizend gulden wordt Kees een week met de slang gevoerd. Het enige is dat ik bij een vechtpartij mijn baantje als reiniger verlies, maar ik doe het evengoed wel voor je.”
“Wanneer je doet wat ik zeg, verlies jij je baantje niet Ron. Integendeel, ik denk dat je een compliment van de directrice krijgt. Je bent toch volkomen afgekickt, nu?”
“Helemaal, Jan, ik rook af en toe alleen nog een joint. Geen horse meer voor mij,” antwoordt Ron.
“Nou, luister dan. Wanneer Kees in het washok is, spreek je hem aan en geeft hem een sigaret. Wanneer hij die in zijn mond heeft en op je vuurtje wacht, geef je hem een paar kopstoten. Trap hem in elkaar en duw hem met zijn kop in de wc-pot. Dan trek je door, en je doet hem de groeten van mij. Ik wilde dat ik het zelf kon doen. Daarna loop je schreeuwend het vlak op. Je doet of je volkomen de kluts kwijt bent. Wanneer je vervolgens bij de directrice moet komen, vertel je haar dat je nu helemaal bent afgekickt en van plan bent om weer iets van je leven te gaan maken.
Je vrouw en je kinderen komen je regelmatig bezoeken. Je ziet uit naar het moment dat jullie weer samen zijn om helemaal opnieuw te kunnen beginnen. Daar leefde je voor totdat Kees Stompier in het toilet kwam en je een paar gram heroïne aanbood. Je flipte zijwaarts en je wist niet meer wat je deed. Eindelijk ben je dan afgekickt en dan komt er een aasgier, die je weer aan de dope wil hebben. Je biedt je excuus aan voor het vechten en vraagt de directrice of zij jou je baantje af wil nemen en je op wil sluiten, omdat je nooit meer in de verleiding wil komen. Begrijp je?”
“Ja natuurlijk, maar denk je dat ze mij gelooft?
“Wanneer je er een beetje bij huilt, absoluut. En wanneer je dan toch je baantje verliest, wat ik persoonlijk nog niet zie, dan krijg je tweeduizend gulden van mij. Ik kan het je nu hier binnen, of later buiten geven. Ik kan het ook in kleine gedeelten op je kantinerekening laten storten, zodat het niet opvalt.”
“Afgesproken, ik doe het morgenochtend.”
“Deal,” bevestig ik en verlaat het washok.
In de cel laat ik het verhaal van Kees Stompier nog eens de revue passeren. Kees Stompier heeft zich het beroep van derderangs oplichter aangemeten. Hij neemt hoofdzakelijk mensen op link die weinig of geen verweer hebben. Hij kan bluffen en schreeuwen als een Haagse pooier met het verschil dat hij, in tegenstelling tot een Haagse bikker, zijn bedreigingen nooit ten uitvoer brengt. Veel rook en weinig vuur.
Af en toe ontmoet ik hem wel eens en weet dan niet hoe snel ik bij die kwal weg moet komen. Heb ik de pech dat hij meer dan een kwartier in mijn onmiddellijke omgeving vertoeft, dan ben ik doofgeschreeuwd, natgespuugd en met honderd miljoen verbale guldens om mijn oren geslagen.
Ik heb niet een echte hekel aan hem, maar hij is het prototype van de bijgoochem. Vlak voordat ik gearresteerd werd, had een kennis uit Haarlem mij een verzoek gedaan om een vordering op Kees te incasseren. De man in kwestie is een hard werkende middenstander die twintigduizend gulden van Kees te goed heeft. Nu is hij de enige niet, maar ik mocht de benadeelde erg graag, en de manier waarop hij was ‘getild’ beviel mij helemaal niet. De arme man moest zijn auto verkopen om wat contanten op te doen. Dit wilde hem niet op korte termijn lukken.
Kees, die van de man zijn probleem gehoord had, kwam toen ‘toevallig’ bij hem langs. Hij had wel een koper voor de Mercedes en bood de man twintigduizend gulden voor zijn wagen. Mijn kennis, die met dit bod duidelijk in de wolken was, beging de stommiteit om Kees de autopapieren meteen mee te geven. Kees beloofde de man om het geld de volgende dag te komen brengen en reed weg met de auto, tot de jongste dag.
Toen de bedrogene mij op kwam zoeken, zei hij tegen mij dat hij het geld al had afgeschreven, maar dat hij niet wilde dat Kees er wijzer van zou worden. Ik vroeg hem wat hij wilde doen. De man die weliswaar geweld verafschuwde, stelde mij voor om mij het hele bedrag te laten houden wanneer het me lukte om de twintigduizend gulden van Kees te incasseren. Op mijn vraag hoe lang geleden hij getild was, antwoordde hij dat het twee jaar geleden was gebeurd.
Ik stelde hem voor om door een gemeenschappelijke kennis contact met Kees op te laten nemen. Deze moest het oplichtertje dan vertellen dat ik de schuld had overgenomen, door de twintigduizend gulden aan de man terug te betalen. Een dienst waarvoor ik Kees zesduizend gulden rente in rekening zou brengen. Ik zei tegen de man dat hij gewoon zijn geld zou krijgen en dat ik de zesduizend gulden rente zou houden voor de onkosten. De man wilde er niet van horen en stond erop dat ik dan tenminste de helft van het uitstaande bedrag aan zou nemen.
“We zullen wel zien als het zover is,” zei ik.
Daar Kees zich ook de andere kwaliteiten van een Haagse souteneur had aangemeten, kon hij niet minder doen dan ook zijn domicilie in de residentie te kiezen. Waar dat was, wist ik nog niet, en op het bericht van mijn boodschapper kreeg ik geen antwoord.
Dat maakte me venijnig en ik promoveerde het nu tot een persoonlijke vete. Ik stuurde Robbie samen met Faisal, een andere kickbokser, naar het bordeel waar de vriendin van Kees werkte. Ik legde Robbie uit dat er wat voor hem te verdienen viel en droeg hem op een beetje druk te doen tegen de geëtaleerde.
“Ze zal jullie wel proberen af te schepen met die grote slabek van haar. Doe maar een beetje heavy tegen haar, maar sla haar niet. Ze zit uiteindelijk voor haar brood en kan er ook niets aan doen dat die Kees zo’n lamstraal is. We willen ook geen verstering in die hoerenkast gooien.”
Was Kees dan misschien een slechte bluffer, over zijn kwaliteiten als pooier was een ieder het eens. Mochten sommige jonge jongens het prachtig vinden om de naam van bikker te hebben, Kees was er voor geboren. Hij kreeg iedere dag een vers pak Caballero, een kroket en vijfentwintig gulden van zijn vrouw. Zij mocht haar broek op haar werk dan wel uit hebben, thuis had zij hem in ieder geval duidelijk, en zeer strak aan. Dit zeer tot ongenoegen van Kees, overigens, want met zo’n toelage moest hij wel uit stelen gaan.
De twee kickboksers liepen het bordeel in. Robbie vroeg aan de hoer waar zij haar man konden vinden.
“Wat mot je van hem?” was haar wedervraag.
“Zeg eens, niegeshoer, je hebt je Keessie niet voor je. Geef gewoon antwoord als ik je wat vraag.”
De tweede kickbokser mengde zich nu in het gesprek: “Luister, meisje, ik vind persoonlijk dat je er wel soortig uitziet. Laten we dat nou zo zien te houden, want met een weggeslagen kin kun je niet werken.”
“Ik zal die pleurisbak eens door haar winkelraam rossen, als zij niet gauw haar smoel opendoet,” vloekte Robbie.
De hoer verschoot onder haar make-up en bond nu zichtbaar in.
“Ik weet niet waar Kees uithangt, eerlijk niet. Af en toe komt hij thuis en soms zie ik hem dagen niet. Ik zal je zijn telefoonnummer geven, en zodra hij thuis komt zal ik zeggen dat jullie naar hem gevraagd hebben. Wie kan ik zeggen dat er voor hem geweest is?”
“Zeg jij maar dat Kees even bijzonder snel contact opneemt met Jan Haak.”
“Jan Haak?” vroeg de vrouw verbaasd, “maar dat is een vriend van Kees.”
“Nou, ik denk dat de meningen daarover nogal wat uiteen lopen, maar Kees kan er in ieder geval voor zorgen dat Jan geen vijand van hem wordt,” raadde Robbie haar aan.
De vrouw knikte niet-begrijpend en gaf Robbie een telefoonnummer door.
“Als het nummer niet goed blijkt te zijn, dan komen we nog even terug om die hut hier te verbouwen,” waarschuwde Robbie, en verliet met Faisal de hoerenkast.
Ik liet meteen het nummer checken door een kennis die bij de PTT werkte. Het bleek een geheim nummer te zijn van een adres op de Waldeck Pyrmontkade, in Den Haag. De hoer was zichzelf te slim af geweest door dat nummer te geven; ze was in de veronderstelling dat wij toch niet achter het adres konden komen. Zij bleek de abonnee te zijn van het bewuste nummer. Nu wist ik dus ook meteen waar Keesje woonde.
‘s Avonds lag ik op mijn bed televisie te kijken toen de telefoon rinkelde. Geïrriteerd pakte ik op: “Ja, hallo?”
“Jan, je spreekt met Kees!” brulde een stem in mijn oor. “Wat denk jij godverdomme te kunnen maken om mijn vrouw lastig te vallen…?”
“Ik denk niet dat ik je vrouw lastig heb gevallen, Keesje,” antwoordde ik naar waarheid, “maar ik denk dat jij wel last zult krijgen wanneer jij je niet snel meldt met de centen. Je vrouw wordt dan wéér niet door mij lastig gevallen.”
“Wanneer ik nog een keer last van je heb, dan koop ik een revolver, schiet je dood en duik onder,” schreeuwde de Kees.
“Ik dacht dat je al ondergedoken zat op de Waldeck Pyrmontkade,” opperde ik.
“Hoe weet jij...” Kees maakte zijn zin niet af, zich zijn fout realiserend.
“Luister, dikke dumbfuck dat je bent. Jij moet niet dreigen, maar doen. Je weet waar ik woon en als je opschiet, tref je me over een uur nog thuis. Mocht je geen revolver hebben, dan verkoop ik je er wel één. Dan is het enkel nog een kwestie van wie het snelste trekt, cowboy Kees. Je moet wel geld meenemen voor dat wapen, want ik houd niets van je te goed.
Het zou trouwens lullig zijn als wij morgen bij je vrouw geld moesten gaan halen. Die heeft dan al genoeg aan haar hoofd met jouw begrafenis. Als je niet kunt komen, en ook die zes en twintig ruggen niet wilt betalen, dan kom ik morgen wel naar Den Haag. Zeg maar vast waar, en hoe je liggen wilt.”
“Jan…” begon Kees half jankend, “hoe kun je dat nu doen, wij zijn toch allebei penoze?”
“Zeg halve gare, jij wilt mij toch niet tot jouw zielige scene rekenen? Ik licht geen werkmensen op. Maar ik zal het je snel vertellen: je betaalt mij die centen of ik laat je opknappen met een gat in je kop, groter dan het gereedschap van je wijf. Je blinkt uit in het doen van de talk, zo doe de fucking walk nu dan ook maar…hoe dan ook!”
“Ik betaal nooit. Doe maar wat je wilt,” zei Kees en hing toen op.
Gaat verder...
|