Vervolgd van...
Ik gebruikte de paar weken die Irene nu in Holland was om haar te instrueren en voor te bereiden op de vraagwijze van een rechter en de advocate van de tegenpartij.
“Een vraag die je op zeker kunt verwachten, ook al is het helemaal niet relevant, is deze: ‘Signorina Moretti, u hebt mijn cliënt nu wel van pedofilie beschuldigd, maar u leeft nu ook met een man die dertig jaar ouder is. Hebt u misschien altijd al een voorkeur voor oudere mannen gehad?’ Jouw antwoord is dan: ‘De eerste keer was ik dertien, en ik had geen enkele zeggenschap in die gedwongen relatie. Inmiddels ben ik dertig en handel ik geheel uit vrije wil. Ik ben me er echter goed van bewust dat het voor u zo mag lijken, al was het maar, omdat dit u goed uitkomt. Ik zou u ook kunnen vragen of u soms een zwak voor pedofielen heeft, want dat lijkt ook zo te zijn, maar daarom vraag ik het ook niet. Dingen zijn niet altijd wat ze lijken.’
Wat de rechter betreft, Irene, dat is geen dooie. Stel je nooit op alsof je veronderstelt dat hij aan je kant staat, want ook al is dat zo, hij zal het nooit aan je laten merken, en iedere fout die je maakt, wordt genadeloos afgestraft. Hij is vlijmscherp, al lijkt hij me wel een eerlijke rechter, een soort ‘oprechter’ dus. Het enige wat je in principe hoeft te doen, is de waarheid vertellen, de complete waarheid, op één detail na: de aantijging dat wij het huwelijk van je zuster wilden ruïneren. Dat is dus een verzinsel van Pedo, net zoals zovele andere verzinsels, die hij al te berde heeft gebracht.
Daar heeft hij zijn geloofwaardigheid zelf al mee ondermijnd, want de rechter heeft hem al op meerdere leugens kunnen betrappen. En dan nog iets: bij iedere vraag denk je een paar seconden rustig na, ook al weet je het antwoord al onmiddellijk. Wanneer je daar een gewoonte van maakt, dan valt het niet op wanneer die ene vraag komt waar je niet meteen een antwoord op weet. En die vraag komt, reken daar maar op.
Wanneer je zogenaamd nadenkt, draai je je ogen licht omhoog naar rechts. Daar moet je op oefenen, want iemand die ze naar linksboven draait, denkt bijna altijd over een leugen na. Dat is wetenschappelijk onderzocht. Je kunt ook onbewogen voor je uit kijken, maar dat geeft een indruk van desinteresse. Wanneer je antwoordt, kijk je de rechter altijd aan met open blik. Niet aardig kijken, niet zielig kijken, maar frank en open. Zo ja…, schitterend! Wanneer je wordt gevraagd waarom je steeds nadenkt, dan zeg je dat je geen onwaarheid wilt vertellen en dat je een tranquillizer hebt genomen, omdat je die morgen erg nerveus was.
Nu kunnen wij twee dingen doen. We kunnen hem laten pakken voor meineed, want daar hebben we de officiële bewijzen voor, maar wat mij beter lijkt, is dat jij hem in die meineed steunt. Wanneer de rechter vraagt wanneer die website werd geopend, dan zeg je dat je het je niet precies herinnert; je dacht eind mei of juni. De rechter zal je dat drie of vier keer vragen, maar je blijft er onzeker over. Eind mei of begin juni, maar beslist niet later.”
“Waarom zou ik dat doen? We kunnen hem toch beter wegens meineed laten vervolgen?” vroeg Irene verbaasd.
“Zelfs als dat gebeurt, ontslaat dat jou niet van rechtsvervolging. Ik heb een betere gevonden, amore. Ik heb één stomme fout in deze hele affaire gemaakt, en wees ervan overtuigd dat ik die recht ga trekken.”
Ik vertelde haar wat ik van plan was. Ze was met stomheid geslagen. Haar zo fantastische ogen werden nog mooier en groter, haar schitterende lach maakte korte metten met de vaak zo trieste, naïeve blik op haar gezicht. Ze straalde, en in dat gelukkige moment voelde ik mij afgrijselijk triest worden. Waarom? Ik probeerde mijn stropdas wat losser te maken. Het verstikkende gevoel bleef echter, misschien omdat ik nooit een stropdas heb gedragen... ook nu niet!
“Je meent het, Jan, dat is absoluut zeker?”
“Si amore mio, ik heb de advocaat gevraagd om het na te kijken, en die feliciteerde me.”
“Ongelooflijk…,” lachte Irene, “Jan, je bent ongelooflijk.”
‘Ja,’ dacht ik, ‘en wat zul jij opgelucht zijn, mijn Italiaanse vechtprinses.’
“Denk erom, amore, de rechter weet het ook al, en hij zal het je niet makkelijk maken. Gedraag je niet te zeker van jezelf, maar wees timide. Timide, maar vastbesloten.”
De advocaat had gevraagd of Irene een week voor de rechtszitting naar zijn kantoor kon komen.
“We gaan de zitting samen met een paar collegae van me simuleren. Ik wil Irene voorbereiden op alle eventualiteiten,” vertelde hij me.
We spraken een datum en een tijd af. Tien dagen vóór de zitting, bracht ik Irene weer naar Schiphol. Terwijl ze met haar bagage wegliep, keek ik haar na met gemengde gevoelens. ‘Wat is ze veranderd in die drieëneenhalf jaar…’ dacht ik, ‘van een meisje met een jongenskop is ze een vrouw geworden.
Bijna onvoorstelbaar wanneer je besefte hoe ze in het begin was: zo onzeker en zo mensenschuw, dat het leek alsof ze sluipend langs de huizen ging; de blikken van passanten angstvallig ontwijkend. En zie haar nu eens lopen met die sensuele tred, haar hoofd opgeheven, haar haren wapperend in de wind. Ze sprak inmiddels elementair Engels, en ook in het Nederlands begreep ze nu al aardig waar het over ging. Ze liet zich geen knollen voor citroenen meer verkopen, en was zo kordaat en dapper als het maar kon. Ook wat haar familie betrof, waren haar ogen nu wel geopend. Ze had een politieverhoor en een rechtszitting meegemaakt, en had half Europa met mij afgereisd. En terwijl ze vroeger niet of nauwelijks dronk, had ze nu een basiskennis van wijnen.
Ik was zo trots dat ik daaraan had mogen bijdragen, maar tegelijkertijd voelde ik een onbestemde droefheid. Ik voelde dat ik haar zou gaan verliezen en alleen al de gedachte, maakte dat ik zowat stikte. Het was moeilijk om met haar te leven, maar een leven zonder haar kon ik me niet voorstellen. Ik dacht: ‘Als ze weg gaat, trek ik de kurk eruit. Ik heb alles gehad en alles gedaan. Ik word tweeënzestig en wat resteert er dan nog voor mij? In ouwe gebakjes van mijn eigen leeftijd heb ik geen trek, en dertigers staan niet meer voor me in de rij. Nee, als dat gebeurt stap ik eruit.’
Mijn melodrama werd echter al gauw verstoord door realistischer gedachten: ‘Wat moet ze met een ouwe, afgeleefde schijtmongool als ik? Ze moet terug naar Italië om een gezin te stichten, en een normaal leven te gaan leiden. Ze moet gelukkig zijn, en ik mag gelukkig zijn dat ik haar op weg heb kunnen helpen.’
“Niet janken nu, Jan..., klootzak..., bloedbak dat je bent!” schold ik mijzelf uit om de wurgende verstikking terug te dringen. Het voelde even alsof er weer een hemd rond mijn strot werd aangedraaid, alleen deze keer kon ik de asfyxie niet regelen.
De tien dagen die Irene weg zou blijven, werden een marteling voor me. Ik wist niet waarom ik zoveel om haar gaf, maar ik miste haar nu al. Ik besefte nu duidelijk dat ik haar zou gaan verliezen; dat wij elkaar zouden kwijtraken.
Brescia, het gerechtsgebouw. De rechtszitting.
Wordt vervolgd...
|